Voorbeeld stap 2. Stel je onderzoeksvraag

Uit het logboek van groep X:

  • Onderzoeksvraag: draaien twee ‘tweeling-zaadjes’ tegen elkaar in?
  • De proef die daarbij hoort is: tweelingzaadjes tegelijk laten vallen en kijken of ze tegen elkaar in draaien.
  • Toch niet zo’n goede vraag: het antwoord is ja of nee.
  • Beter is: wat bepaalt het draaien van een vallend esdoornzaadje?
  • Nog beter: wat bepaalt de draairichting (met de klok mee of tegen de klok in)?
  • We verwachten als antwoord: van of het een linker of rechter zaadje is.
  • Kenmerken van een goede onderzoeksvraag zijn:
    • je weet het antwoord niet meteen
    • je weet wat er met de vraag wordt bedoeld
    • je weet ongeveer hoe je het antwoord kunt vinden
  • Minder geschikt als onderzoeksvraag zijn vragen:
    • die je met ja of nee kunt beantwoorden
    • waarbij je geen idee hebt in welke richting je het antwoord moet zoeken
    • die met ‘waarom’ beginnen
  • Geschikte onderzoeksvragen zijn bijvoorbeeld:
    • waarvan hangt … af?
    • wat gebeurt er met … als ik … verander?
    • hoe kan ik …?
  • Voorbeeld onderzoeksvraag:
    • Waarvan hangt de draairichting van een vallend esdoornzaadje af?
    • Waarschijnlijk antwoord (hypothese): van of het een linker of rechter zaadje is

Als extra ondersteuning kan het werkblad over een goede onderzoeksvraag opstellen gebruikt worden